Autonomie


Terwijl ik dit schrijf staat de tomatensaus op het vuur te borrelen, zitten er pruimen in de ontsappan en zit mijn favoriete theemix in de voedseldroger. Elk jaar proberen we steeds een beetje meer zelfvoorzienend te worden en dat gaat steeds beter. Tijdens de zomer vullen we onze voorraadkast met lekkers om de winter door te komen, aangevuld met verse groenten uit de serre en de tuin. Voor groenten en eitjes voelt het bijna vanzelfsprekend om alles uit eigen tuin te halen, en ook peulvruchten en fruit hebben we steeds meer van eigen veld. We doen dat niet omdat het makkelijker of goedkoper is dan naar de winkel gaan. We doen het omdat we ervan overtuigd zijn dat wat van eigen veld komt lekkerder, gezonder en beter voor de aarde is. Ons eten maakt geen kilometers, we gebruiken geen kunstmest of pesticiden en doen er alles aan om het bodemleven te laten floreren. Daarbovenop geeft het een gevoel van autonomie: niet afhankelijk zijn van de supermarkt en de grillige wereldeconomie, zelf gewassen ontdekken die je in de winkel niet vindt. En is er eigenlijk iets leukers dan zien groeien wat je zelf hebt gezaaid? Eten uit eigen tuin betekent ook leren dat niet alles vanzelf groeit en dat een oogst kan tegenvallen. Misschien is het geluk daarom des te groter bij de eerste tomaat van het seizoen, of wanneer je midden in de winter een zelf ingemaakt potje bieten opendoet.
Maar voor mij gaat moestuinieren uiteindelijk over meer dan lekker eten en zelfvoorzienend zijn. Het is ook een vorm van verzet tegen de manier waarop we vandaag met voedsel en natuur omgaan. Tegen een maatschappij waar de verbinding tussen mens en natuur verloren gaat, waarbij eten van ver weg komt en in elk seizoen beschikbaar is, waarin industriële landbouw kwantiteit boven kwaliteit stelt en de werkelijke kost voor onze planeet nauwelijks wordt meegerekend. Het moet anders, het kan anders.
En misschien begint die verandering wel bij iets heel kleins: een zaadje. Er zit namelijk meer verscholen achter zo’n klein zakje zaad uit het tuincentrum dan je zou denken. Achter veel van de zakjes zaad die je in tuincentra vindt, gaat een wereld schuil die veel minder divers is dan je op het eerste gezicht zou denken. Een groot deel van de commerciële zaden komt uiteindelijk van een relatief klein aantal grote internationale zaadbedrijven. Deze bedrijven selecteren zaden op basis van commerciële factoren waardoor veel oude, waardevolle variëteiten verloren dreigen te gaan. Zij bepalen voor een groot deel welke rassen commercieel beschikbaar zijn en investeren vooral in rassen die passen binnen een grootschalig landbouwsysteem: uniform, voorspelbaar, makkelijk te transporteren en geschikt voor hoge opbrengsten. Wie bepaalt welk zaad er beschikbaar is, heeft ook invloed op wat er morgen op onze velden en in onze borden terechtkomt. Maar voor ons hoeven tomaten niet allemaal tegelijk rijp te zijn, moeten de boontjes niet kraakvers blijven tijdens hun lange vlucht, en hoeven niet alle pompoenen even groot te zijn.

Daarom proberen we ook steeds meer zelf onze zaden te oogsten. Van de planten die het hier goed hebben gedaan, die gezond waren, bestand waren tegen droogte of ziekte en ons een mooie oogst gaven, laten we een deel doorschieten, bloeien en zaad maken. Zo ontstaat er langzaam een voorraad zaden die niet alleen van ons is, maar die ook steeds beter aangepast raakt aan onze grond, ons klimaat en de omstandigheden hier. Zo deden boeren en tuiniers het al eeuwen, lang voordat zaden een commercieel product werden en rassen onder allerlei vormen van intellectueel eigendomsrecht beschermd konden worden. Niets is fijner dan zaden uit te delen of te ruilen en om zo nieuwe soorten te ontdekken.
En wanneer we zelf geen zaad kunnen winnen, probeer ik bewust te kiezen voor biologische en onafhankelijke zaadkwekers. Niet alleen om de grote agrochemische bedrijven zo weinig mogelijk te steunen, maar ook omdat ik geloof dat zaad veel meer is dan een product in een zakje. Wanneer we het aanbod aan variëteiten steeds meer overlaten aan een handvol bedrijven, dreigen we over enkele generaties een groot deel van die genetische en culturele rijkdom kwijt te zijn.
Juist de enorme diversiteit aan rassen vind ik zo waardevol. Rassen die generaties lang zijn geselecteerd door boeren en tuiniers, aangepast aan een bepaalde streek, bodem of klimaat. Rassen met namen, verhalen en eigenschappen die je niet terugvindt in de standaardgroenten van de supermarkt. Door zelf zaad te winnen en te kiezen voor kleinschalige, biologische zaadkwekers, kunnen we helpen om die diversiteit in stand te houden. Want ook daarin zit autonomie: niet allemaal hetzelfde zaad gebruiken, maar juist ruimte geven aan veel verschillende rassen. Zaden die zich mogen aanpassen, die zich van jaar tot jaar kunnen ontwikkelen en die misschien over twintig of vijftig jaar nog steeds geschikt zijn om hier te groeien.
Laat onze tuinen vooral geen eenheidsworst worden.
Zaai diversiteit. Bewaar je zaad. Deel het. Ruil het. En geef het door.




Opmerkingen